Tel: +31 (0)10 52 25 011 NL |   Fax: +31 (0)84 21 51 696 NL  skype afrika-online
English Nederlands
Home | Over Ons | Contact | Extra
Slideshow

Zuid Afrika

Geografie

Zuid Afrika (officieel: Engels: Republic of South Africa; Afrikaans: Republiek van Suid-Afrika), is een republiek in het zuiden van het Afrikaanse continent. De totale oppervlakte van het land is 1.123.226 km2, exclusief de "onafhankelijke" thuislanden Bophuthatswana, Ciskei, Transkei en Venda en de Walvisbaai; incl. deze gebieden: 1.225.765 km2. Zuid Afrika is daarmee 30 keer groter dan Nederland. De kustlijn heeft een totale lengte van 3000 kilometer. Zuid Afrika grenst in het oosten aan Swaziland (430 kilometer), in het noordoosten aan Mozambique (491 km), in het noorden aan Zimbabwe (225 km) en Botswana (1840 km) en in het noordwesten aan Namibië (855 km). Geheel omsloten door Zuid Afrika als enclave, ligt de bergachtige staat Lesotho (totale grenslengte 909 km). In 1947 nam de (toen) Unie van Zuid Afrika formeel het onbewoonde Prince Edward Island en Marion Island voor de kust van Kaapstad in bezit. Andere bekende eilanden voor de kust zijn Santa Cruz bij Port Elizabeth en Robbeneiland bij Kaapstad. Zuid Afrika grenst verder in het westen aan de Atlantische Oceaan en in het oosten aan de Indische Oceaan. De afstand van de Limpoporivier in het noorden naar Cape Agulhas in het zuiden bedraagt ongeveer 2000 kilometer. De afstand van Port Nolloth in het westen naar Durban in het oosten bedraagt ongeveer 1500 kilometer.
De belangrijkste rivier van Zuid Afrika is de Oranjerivier die ontspringt in de Drakensbergen van KwaZulu-Natal en over een afstand van meer dan 2200 kilometer bij Oranjemund en Alexander Bay in de Atlantische Oceaan stroomt. Andere belangrijke rivieren zijn de Vaal, de Limpopo, de Grote Visrivier en de Tugela. De meeste van deze rivieren zijn nauwelijks bevaarbaar.
 
Het landschap van Zuid Afrika is zeer gevarieerd en kan verdeeld worden in 21 natuurlijke regio's.
* De Lesotho hooglanden vormen het hoogste deel van zuidelijk Afrika en vormen de grens tussen Lesotho en Zuid Afrika. De hoogste toppen komen boven de 3400 meter uit en op de bergtoendra's val 's winter vaak sneeuw.
* Het Hoogveld is een zachtglooiend, hooggelegen gebied en bestaat voornamelijk uit savannen. Hier ligt ook het verstedelijkte Witwatersrand rondom de belangrijke goud- en steenkoolmijnen van Zuid Afrika. Hier wordt ook veel maïs verbouwd.
* Noord-Transvaal kent verschillende landschappen met o.a. de bergketens van de Soutpansberg en het Waterberg-plateau en daar tussenin ligt de Pietersburgvlakte, waar de veeteelt belangrijk is. De Soutpansberg is een belangrijk bosbouwgebied.
* In het noorden van de Kaapprovincie ligt het Ghaap-plateau waar door het semi-droge klimaat alleen veehouderij mogelijk is.
* De vlakke en uitgestrekte Bushmanvlakte van het binnenland-plateau ligt ook in het noorden van de Kaapprovincie en is slechts begroeid met wat struikgewas en alleen geschikt voor de extensieve schapenhouderij. Opvallende zijn de vele "pans", meertjes die maar een bepaald deel van het jaar gevuld zijn met water.
* Ten noorden en westen van Pretoria ligt het Bushveld bekken. In het vlakke, centrale deel van het bekken worden vele mineralen en edelmetalen zoals platinum, vanadium en chroom gevonden wordt. De kleiachtige zwarte turfgrond is uitermate vruchtbaar en hier worden dan ook vele gewassen geteeld.
* Het vlakke zanderige Kalahari-bekken is een semi-droge savanne en voornamelijk begroeid met acacia's. Vroeger werd dit gebied gekenmerkt door woestijnduinen, waarvan er nog maar weinige zijn overgebleven.
* In de noordelijke Kaapprovincie liggen de valleien van de Beneden-Vaal en de Oranjerivier, twee van grote rivieren in Zuid Afrika. De valleien liggen in sterk ontwikkelde gebieden met o.a. een gigantisch irrigatieproject (Vaalharts) in de Hartsrivier, een zijrivier. Tussen de twee valleien ligt Kimberley, het centrum van de diamantmijnbouw.
* De Karoo is een uitgestrekte semi-droge vlakte met afgeplatte heuvels die begroeid zijn met gras en struikgewas. De hoogste punten van het plateau zijn Giants Castle (3820 m), Cathkin Peak (3650 m) en Mont aux Sources (3299 m) in de Drakensbergen. Hier is alleen wat schapenteelt mogelijk.
* De Transvaalse Drakensberg is door voldoende regenval bedekt met bossen en een oord waar vele toeristen verblijven om o.a. te wandelen. De Transvaalse Drakensberg is een deel van de Great Escarpment (steile erosieranden).
* Ook de Natalse Drankensberg is een deel van de Great Escarpment met toppen boven de 3000 meter. Hier vindt veel bergsport plaats.
* Uit een reeks bergketens bestaat het Kaapse Plooiingsgebergte dat bedekt is met een unieke vegetatie, het "fynbos" of macchia. Ook hier is de bergsport zeer populair. In de valleien tussen de bergketens liggen centra voor fruitteelt en wijnbouw. In de kuststreken liggen mooie stranden en diepe baaien. De enige meer gesloten baai is de Saldanhabaai aan de westkust.
* De Namaqua-hooglanden bestaan uit droge, rotsachtige bergen waar als er genoeg regen valt zeer veel wilde bloemen groeien. Het gebied dat grenst aan Namibië is het Richtersveld.
* De rivier de Limpopo vormt de grens tussen Zuid Afrika en Zimbabwe. De rivier stroomt in de Limpopo-vallei, een droog savannegebied met open bosland waar veel vee gehouden wordt en waar veel wildparken liggen.
* Het golvende landschap van het Laagveld of Lowveld ligt tussen de voet van de Great Escarpment en de Lemombo bergen in Swaziland, Noord-Natal en Transvaal. Door het hete tropische klimaat in de zomer is hier de teelt van tropisch fruit mogelijk. Hier ligt ook het grootste reservaat van Zuid Afrika, het Nationaal  Krugerpark met bossen en savannen.
* Het Achterland van de zuidoostkust is een gebied van glooiende heuvels en diepe rivierdalen. Het strekt zich uit van Swaziland tot het voormalige Ciskei in het zuiden. Er valt veel neerslag dat door vele rivieren afgevoerd wordt naar de Indische Oceaan.
* Op de grens van Zuid Afrika en Mozambique in Oost-Transvaal, Swaziland en het noorden van KwaZulu/Natal liggen de Lemombo-bergen. Deze bergketen wordt gekenmerkt door diepe kloven waardoor rivieren naar de Indische Oceaan stromen.
* In het noordelijke KwaZulu/Natal ligt de kustvlakte van Zululand, begroeide zandvlakten met struikgewas. Hier liggen ook vele meren en riviermondingen. In verschillende natuurreservaten leven vele diersoorten.
* Het Zuidelijke Kustplateau strekt zich uit van ze zuidelijkste punt van Afrika tot aan Port Elizabeth. Hier vindt men ook mooie bossen en lagunes.
* De glooiende vlakte tussen de Atlantische Oceaan en het Kaapse Plooiingsgebrgte is het Swartland. Hier wordt veel graan verbouwd.
De Namib is een woestijn en langs de kusten hiervan stroomt de Benguela Golfstroom. De kustwateren zijn zeer belangrijk voor de visserij van Zuid Afrika. Verder is het een onherbergzaam gebied.

Klimaat

Door de ligging ten zuiden van de evenaar begint de Zuid-Afrikaanse zomer in december en de winter in juni.
 
Ondanks de enorme afmetingen van het land is het klimaat betrekkelijk uniform en gematigd. Met name geldt dit voor de temperatuur in het binnenland, wat een gevolg is van het feit dat op lagere breedte de hoogte in het algemeen groter is dan verder naar het zuiden. Typerend is dat de gemiddelde temperatuur in Kaapstad 16,5°C bedraagt en in het veel noordelijker gelegen Johannesburg 16,2°C.
 
Het warmst is het aan de oostkust met een gemiddelde temperatuur van 20,6°C in Durban. Overdag wordt het in Durban in de zomer gemiddeld 27°C tot 22°C in de winter. De temperatuur aan de westkust wordt gelijkmatig laag gehouden door de koude Benguelastroom, de temperatuur aan de oostkust wordt gelijkmatig hoog gehouden door de warme Agulhasstroom.
 
De warmste maand in het binnenland is januari en de warmste maand aan de kust is februari. Zelfs in de winter is het op de meeste plaats altijd nog wel zo'n 20°C. In het noorden zijn oktober en november warme maanden als gevolg van de zomerregens. In het hoger gelegen binnenland vriest het regelmatig, in het bergachtige zuidoosten zelfs meer dan 100 nachten per jaar. Door de gemiddelde lage luchtvochtigheid valt er vaak niet meer dan dun laagje sneeuw.
 
In tweederde deel van Zuid Afrika valt minder dan 500 mm neerslag per jaar. De meeste neerslag in Zuid Afrika valt in de zomertijd, als de vochtige lucht van de Indische Oceaan met kracht landinwaarts stroomt. In Kaapstad daarentegen valt de meeste neerslag in de maanden juni tot en met september. De regen valt in de zomer vaak in korte hevige buien waarna de zon weer snel schijnt.
 
Ten westen van de oostelijke bergruggen valt de minste regen, in de rest van het land valt over het algemeen een constante hoeveelheid neerslag, ca. 1000 mm per jaar. Behalve het zuidelijke deel van het land waaronder invloed van storingen de meeste neerslag in de wintertijd valt en een gematigd regenklimaat heerst. De oostkust in het zuiden kent droge winters. Naar het westen toe wordt het steeds droger en in het centrale deel heerst zelfs een steppeklimaat met ca. 100 mm per jaar in de Kalahari-woestijn. In steden als Bloemfontein en Kimberley in het centrale deel van Zuid-Afrika wordt in de januari en februari de 30°C gemakkelijk gehaald.
 
Het aantal zonne-uren ligt erg hoog, bijvoorbeeld in vergelijking tot het Iberisch schiereiland. In Madrid schijnt de zon gemiddeld 2910 uren per jaar en in Lissabon 2740 uur. In Zuid Afrika heeft Kaapstad gemiddeld 2980 uren en Pretoria 3240 uren per jaar. Kustplaatsen van de Kaapprovicie en KwaZulu/Natal ontvangen gemiddeld 300 zonne-uren meer dan de Canarische Eilanden.
 
Planten en dieren

Van alle bekende plantensoorten is zo'n 10% in zuidelijk Afrika te vinden: ca. 24.000 soorten. Bekende planten die oorspronkelijk uit Zuid Afrika komen zijn o.a. geranium, vuurpijl, fresia, tuber-roos en gladiool.
 
Door de grote verschillen in de neerslag, van oost naar west steeds droger, en de verdeling van die neerslag over het jaar, kent de plantengroei van Zuid Afrika een sterke afwisseling. Bodemgesteldheid en hoogteverschillen spelen natuurlijk ook een grote rol.
 
De fijnbosstreek of het Kaapse Plantenrijk in het zuidwesten is wat de plantenwereld betreft de meest opmerkelijke streek van Zuid Afrika. Hier komen duizenden endemische soorten voor, soorten dus die alleen hier voorkomen en nergens anders ter wereld. Het gebied wordt omsloten door de oceaan, woestijnen en bergen en behoort tot de zes officiële florarijken ter wereld en wordt ook wel "Capensis" genoemd. Florarijken zijn gebieden waar de flora zeer sterk verschilt van planten die elders worden aangetroffen. Alleen al op het Kaapse schiereiland komen 2500 verschillende inheemse soorten voor. In dit gebied komen ca. 600 heidesoorten van een bepaalde familie voor (tegen 26 soorten in de rest van de wereld!) en de bekendste orchidee van Zuid Afrika, de "Trots van de Tafelberg" of in het Engels "pride of Table Mountain".
 
Dit is ook het land van de Protea of suikerbossie. De koningsprotea is de nationale bloem van Zuid Afrika met bloemen van 25 centimeter in doorsnee. Beroemd zijn de miljoenen goudsbloemen die in het voorjaar Namaqualand bij de Namid-woestijn in de Noord-Kaapprovincie opsieren. Het fijnbos kent verder 1000 soorten madeliefjes, 600 soorten irissen en 400 soorten lelies.
 
De rest van Zuid Afrika bestaat uit savannen, steppen, graslanden en woestijnen, ieder met hun eigen begroeiing. Slechts een half procent van de totale oppervlakte bestaat uit bossen. Ondanks dat komen er in Zuid Afrika toch nog altijd zo'n 1000 boomsoorten voor. Een belangrijk bosgebied ligt in het uiterste zuiden rondom Knysna, ten westen van Port Elizabeth. In deze altijdgroene bossen komen o.a. 50 meter hoge Podocarpus-soorten of "yellow-tree" (coniferen-soorten die vrijwel alleen op het zuidelijk halfrond voorkomen) voor, Kaapse beuken en de Olea laurifolia, een olijfbomensoort.
 
In de buurt van het iets hogerop gelegen Oost-London komen naast palmen, wilde bananen en melkbomen ook mangroves voor. In het oosten komt subtropisch bos voor met uiteraard palmensoorten en onder meer Albizzia-soorten, een plantengeslacht uit de mimosa-famiie. Vanwege het subtropisch klimaat komen aan de oostkust vele soorten bloemen, o.a. hibiscus, rododendron, azalea en gouden regen voor.
 
Door de hoge luchtvochtigheid en vele neerslag vinden we op de oosthellingen van de Drakensbergen bergwouden.
 
Graslanden, met 1000 inheemse grassoorten, en savannen komen voor in gebieden met regenval in de zomer, behalve de grazige savannen in het zuidoosten waar voor- en najaarsregens optreden. Op de savannen komen allerlei overgangen voor naar bijvoorbeeld bosachtige graslanden, parklandschappen en naar boomsteppen met her en der wat bomen. Karakteristiek voor deze landschappen zijn acacia-soorten en wolfsmelk- en Aloë-soorten in de drogere gebieden. Algemene grassoorten zijn o.a. Themeda, Chloris, gierstgras, Setaria, Pennisetum en Rhynchelytrum. Tevens vinden we hier de baobab of apenbroodboom, de kinaboom en de olifantsboom.
 
Een andere belangrijke flora-regio is de Namu-Karroo op het centrale plateau. Ook hier regent het maar weinig vinden we voornamelijk lage struiken en grassoorten. Bekende soorten zijn Kwassiehout, kapokstruiken, theestruiken vedergras en struisvogelgras. De Catalpa-struik of trompetboom kan meer dan twee meter hoog worden.
 
Met name in de westelijke delen van Zuid Afrika waar maar weinig regen valt, komen steppeachtige woestijnen (o.a. de Kalahari) voor. In de halfwoestijn van de Grote Karroo (Hottentots voor droog of schaars) groeien tot 2 m hoge dwergstruikjes met schubachtige blaadjes, en vele soorten van het vetplantengeslacht Mesembryanthemum. Hier komen ook grote aantallen ijsplantjes en kiezelplanten voor. Deze planten bloeien gedurende een korte tijd in de maanden september en oktober.
 
Waar de neerslag wat hoger is, zijn Pentzia-soorten kenmerkend en komen bomen voor zoals de Aloë arborescens.
 
Een bijzondere soort in de westelijke woestijngebieden is Welwitschia mirabilis. Het is de enig overgebleven soort van een uitgestorven familie. Het lijkt op een gigantische wortel met twee leerachtige rafelige bladeren die over de grond "kruipen".
 
Door de grootte van het land en de zeer gevarieerde landschappen is de dierenwereld van Zuid Afrika zeer rijk en divers. De meeste dieren zijn oorspronkelijk afkomstig uit Oost- en in mindere mate ook van Centraal Afrika. Maar ook connecties met de Australische en Zuid-Amerikaanse dierenwereld zijn te herkennen, dankzij het vroegere zuidelijke supercontinent Gondwana.
 
Zoogdieren
In totaal komen er ongeveer 400 soorten zoogdieren voor in Zuid-Afrika met de voor Afrika als continent kenmerkende dieren als leeuw, panter, hyena, zebra, aap, neushoorn, buffel, gnoe of wildebeest, giraffe, olifant, antiloop, klipdas, nijlpaard, wrattenzwijn, baviaan (of bobbejaan) en nog vele andere.
 
Springbok, blesbok (met de ondersoort bontebok), witstaartgnoe, reebokantilope, bergzebra, stokstaartje, zwartvoetkat e.a. komen uitsluitend in Zuidelijk Afrika voor. Weer andere soorten komen ook elders in de wereld voor maar hebben in Zuid Afrika een duidelijk herkenbare geïsoleerde vorm, zoals de spiesbok (oryx) en de dikdik.
 
De Quagga, Kaapse leeuw, Kaapse wrattenzwijn en de blaauwbok zijn al lang geleden uitgeroeid en kwamen alleen voor in de Kaapprovincie. Onder de kleinere zoogdieren zijn veel endemische (= alleen in Zuid Afrika voorkomende) vormen bekend; bijvoorbeeld de goudmollen.
 
Er komen in Zuid Afrika vijf apen- of primatensoorten voor: baviaan, grijze meerkat, groene meerkat en de kleine en grote galago, beiden nachtdieren die altijd in bomen leven en eigenlijk half-apen zijn.
 
Van de roofdieren is de "koning der dieren", de leeuw, natuurlijk het bekendst. Kwamen ze vroeger algemeen voor, door de stroperij is hun territorium beperkt tot het laagland van Oost-Transvaal, Noord-Natal en het noordelijk deel van de Kaapprovincie. In het particuliere wildpark Timbivati Game Reserve komen de zeldame witte leeuwen voor. De panter of de cheetah of jachtluipaard zijn andere grote katachtige roofdieren. Jachtluipaarden komen vooral voor in het Krugerpark en het Kalahari Gemsbok Park.
 
Hyena-honden of Afrikaanse wilde honden en de gevlekte hyena zijn naast aaseters ook roofdieren die in groepen op andere dieren jagen. De bruine hyena daarentegen is een echte aaseter. Andere kleine vleeseters zijn de jakhals, de caracal en de serval.
De vele termietenheuvels en mierenhopen worden regelmatig bezocht door aardwolven, aardvarkens en grondschubdieren of pangolins.
 
De in kuddes levende Afrikaanse olifant kan een schofthoogte van drie meter bereiken en is daarmee aanzienlijk groter en zwaarder dan de Indische olifant. In het Addo Elephant National Park is het gelukt om de Kaapse olifant tegen uitsterven te beschermen. Er komen twee soorten neushoorns voor in Zuidelijk-Afrika: de witte of breedlipneushoorn en de zwarte of puntlipneushoorn. De breedlipneushoorn was begin 20e eeuw bijna uitgestorven, maar door beschermende maatregelen en een speciaal fokprogramma is het aantal weer sterk gegroeid. Zowel de slagtanden van de olifanten als de hoorns van de neushoorns zijn zeer gewild bij stropers. Een andere dikhuid is het nijlpaard, een planteneter die het grootste deel van de tijd in het water doorbrengt.
 
De twee in Zuid Afrika voorkomende wilde varkenssoorten zijn het penseelzwijn en het wrattenzwijn met zijn wrattige kop en grote gebogen slagtanden.
 
Het bekendste hoefdier van Afrika is natuurlijk de zwart-wit gestreepte zebra. In Zuid Afrika komt de gewone- of steppezebra voor en de met uitsterven bedreigde bergzebra, die beschermd wordt in het Nationaal Bergzebrapark bij Cradock in de Oost-Kaap. De giraffe is een imposante verschijning die wel zes meter hoog kan worden.
 
Tot de holhoornigen behoren de antilopen en runderen. In Zuid Afrika komen 38 soorten antilopen voor, o.a. de grote koedoe, de impala, de spiesbok, de steenbokantilope, de gewone duiker, de sabelantilope, de paardantilope en de springbok die tot symbool en nationaal embleem van Zuid Afrikaanse sportteams is gekozen. Bijzondere soorten zijn de grijsbok, de nyala en de oribi.
 
Tot de runderen behoort de Afrikaanse buffel waar zelfs leeuwen met een grote boog omheen lopen.
 
Veel van de kleinere zoogdieren leven in het luchtruim of onder de grond. In Zuid-Afrika komen ongeveer 75 soorten vleermuizen voor. De meeste soorten zijn insecteneters en acht soorten voeden zich met nectar en vruchten.
 
Het grootste knaagdier van Zuid Afrika is het Zuid Afrikaanse stekelvarken en meest opmerkelijk om te zien is de spinghaas die als een kangoeroe door het terrein springt. De grote rietrat wordt sommige lokale bevolkingsgroepen als een delicatesse beschouwd en kan tussen de 4 en 7 kilo zwaar worden. De rotsklipdas of "dassie" ziet eruit als een knaagdier maar is sterk verwant met de olifant!
 
Voor de kust zijn vaak groepen tuimelaars te zien, een dolfijnensoort. Door beschermende maatregelen is het aantal potvissen weer in aantal toegenomen. Een andere walvissensoort, de reusachtige blauwe vinvis, is af en toe aan de kust te zien.
 
Vogels
De vogelwereld van Zuid Afrika is nog rijker dan die van de zoogdieren en omvat ca. 870 soorten. Gezegd moet wel worden dat een groot deel hiervan bestaat uit trekvogels die in Zuid Afrika overwinteren zoals de ooievaar en de boerenzwaluw.
 
In de oostelijke bosgebieden komen grote roofvogels voor zoals de steppearend en de kuifarend. Wat kleiner is de bateleur of goochelarend, die zo genoemd wordt vanwege zijn capriolen in de lucht. In de grote vijgenbomen die hier groeien leven vele vogels waaronder de toerako, de groene duif, de neushoornvogel, de baardvogel, de buulbuul en de kleurige bijeneters.
 
In de bossen en langs de grote rivieren komen ook veel ijsvogelsoorten voor. De Afrikaanse reuzenijsvogel en de bonte ijsvogels leven langs de rivieren, de Afikaanse dwergijsvogel en de grijskopijsvogel in de bossen.
 
Een van de mooiste vogels van in dit gebied is de vorkstaartscharrelaar. De geelsnavel- en roodsnaveltok, neushoornvogels, zijn zeer opmerkelijke vogels en ook de zuidelijke hoornraaf is zeer opvallend. De hoornraaf is een grondneushoornvogel en eet insecten, reptielen en andere kleine dieren. De heremietkoekoek of "piet-my-vrou" heeft een zeer karakteristieke zang.
 
Op het Hoogveld, de open grasvlakten van Transvaal en Vrijstaat is de zeldzame blauwe trap of korhaan te zien en ook de kori-trap. Op beide vogels en ook op kwartels en frankolijnen wordt gejaagd vanwege het vlees. Een schitterende vogel is de hanestaartwidavink en mooi om te zien zijn de koereigers die vaak meeliften met grote dieren en zo aan hun voedsel komen. Hier leeft ook de grote secretarisvogel, soms in een gevecht gewikkeld met slangen die hij probeert dood te trappen. Endemisch in dit gebied zijn de Kaapse rotsspringer en de zeer opmerkelijke Kaapse grondspecht, die op de grond leeft en zich voedt met mieren.
 
De bossen, hellingen en valleien van KwaZulu/Natal hebben een rijk vogelleven. Hier leven onder andere woudwevers, honingzuigers, vliegenvangers, de smaragdkoekoek, de purperkuiftoerako en de endemische zwartkaptimalie. Op grashellingen leven grijsvleugelfrankolijnen, geelborstpiepers en in de buurt van protea's komt de Gurney's suikervogel voor.
 
De nationale vogel van Zuid Afrika is de Stanley- of paradijskraanvogel. Lammergieren, Kaapse gieren en zwarte arenden speuren vanaf grote hoogtes naar prooi of aas. De kroonarend valt apen en kleine antilopen aan vanuit bomen. In Game Valley bij Pietermaritzburg komen meer dan 300 vogelsoorten voor waaronder ijsvogels, kwikstaarten, parelhoenders, hamerkop, langklauwen, graszangers, trogons en struikklauwieren.
 
Langs de noordoostkust vinden reigers, ganzen, witte pelikanen en flamingo's een ideaal leefgebied, evenals de majestueuze Afrikaanse zeearend. Grenzend aan Mozambique in het Ndumo wildreservaat leven in de subtropische omgeving soorten als Pel's visuil, bruinkopnicator, gekuifd parelhoen en de purperbandhoningzuiger. Ook verschillende soorten ooievaars, reigers (o.a. zwarte reiger), roerdompen, nachtreigers en zelfs de zeldzame watertrapper of Afrikaanse fuutkoet leven hier.
 
In de Karoo en de droge westelijke gebieden zijn de meest opvallende vogels de zwartkintrap of Karoo-korhaan en de Ludwigs trap. Bijzonder zijn ook de lijstervliegenvanger, de roodoorprinia en de Layards meeszanger. In het uiterste westen leven een aantal endemische leeuweriksoorten: de rode woestijnleeuwerik en de Namaqualeeuwerik. De allerbekendste vogel uit deze streek in natuurlijk de struisvogel, de grootste vogel ter wereld die tot ongeveer 2,5 meter hoog kan worden. In de Kalahari-woestijn zijn de enorme nesten van de republikeinwevers opvallend, die een doorsnee van vier meter kunnen hebben en waar wel 200 vogels hun plaatsje vinden. Ook de kleinste roofvogel van Afrika, de Afrikaanse dwergvalk, leeft vaak in deze nesten. Bij drinkplaatsen komt het zandhoen voor, die in zijn buikveren water meevoert om aan de kuikens te geven.
 
Het fijnbosgebied (veelal lage struiken met kleine bladeren) herbergt o.a. twee endemische soorten die van nectar leven, de Kaapse suikervogel en de oranjeborsthoningzuiger. Ook endemisch zijn de witvleugelkanarie en de Victorins struikzanger, respectievelijk zaadeter en insecteneter. In de drogere delen van het fijnbos komen de kopjeszanger en de elf-apalis voor.
 
De koudere zuid- en westkust als gevolg van de koude Benguela Golfstroom trekt vele zeevogels aan. Bijzonder is de zwartvoetpinguïn of "pikkewijn" die in kolonies broedt op eilanden voor de kust. Verder zien we grote groepen aalscholvers, kelpmeeuwen en Kaapse jan-van-genten, zwarte scholeksters en vale strandplevieren.
 
Ieder jaar trekken meer dan honderd vogelsoorten van het noordelijk halfrond naar de kusten van Zuid Afrika. Afstanden tot 10.000 kilometer worden afgelegd soms vijf tot zeven weken. De meeste trekvogels zijn strandlopers.
 
Amfibieën en reptielen
Ook het aantal soorten amfibieën en reptielen is zeer groot in Zuid Afrika en er worden nog steeds nieuwe soorten ontdekt en beschreven. Ook nu weer enkele bijzondere soorten zoals de primitieve, tongloze klauwkikker, de smalbekkikkers die alleen na een regenbui boven de grond komen en de endemische Zuid Afrikaanse stierkikker. Salamanders komen beneden de Sahara, en dus ook niet in Zuid Afrika voor. De Nijlkrokodil komt alleen nog maar in reservaten voor.
 
Het aantal schildpaddensoorten is zeer groot: vijf soorten zeeschildpadden, vijf zoetwater Afrikaanse halswenders (halswenders trekken hun nek in een s-vorm terug; halsbergers trekken kop en nek recht onder het schild terug) en twaalf soorten landschildpadden, meer dan waar ook ter wereld. De geometrische landschildpad is de kleinste met een lengte van maar 10 centimeter. Roodwangschildpadden komen veel voor maar zijn geïmporteerd uit Noord Amerika.
 
De vele gekkosoorten, o.a. de huisgekko, verslinden enorme aantallen insecten en zijn dus zeer nuttig. De Namaqua-kameleon is opmerkelijk omdat hij op de grond leeft. Inheemse reptielen zijn de gordelstaarthagedissen waartoe de pantsergordelstaarthagedis behoort, agames, Zuid Afrikaanse kielhagedissen, rotshagedissen en kielschubhagedissen. De grootste Afrikaanse hagedis is de Nijlvaraan die wel twee meter lang kan worden.
 
Er komen verder 130 slangensoorten voor. Naast de gevaarlijke rotspython, een wurgslang, komen er 14 soorten gifslangen voor. Hiertoe behoren de zwarthalscobra, mamba's en de pofadder. Ongevaarlijk is de Afrikaanse eierslang.
 
Insecten
Zuid-Afrika is met ca. 50.000 soorten een eldorado voor entomologen. Met name de tropische bosveldsavannes in het noorden herbergen vele soorten. Reuzentermieten, wandelende takken, vele vlindersoorten (ca. 800 soorten dagvlinders) en mestkeversoorten, bidsprinkhanen zijn de meest opvallende soorten.
 
Apart is ook de Matabele-mier die termietenheuvels plundert. Aan de oostkust komen veel tropische vormen voor zoals fraai gekleurde meikevers en schitterende tropische vlinders.
 
In de Kaapse regio komen zeer vreemde kostgangers voor. Fameus zijn de zeldzame vleugelloze kevers die tot de familie van de vliegende herten behoren. De nationale bloem van Zuid Afrika, de protea, trekt rozenkevers (ca. 200 soorten), meikevers en gouden torren aan.
 
Reservaten
Buiten de reservaten is er nog maar weinig wild aan te treffen. De natuurbescherming kwam al vroeg op gang met de Umfolosi/Hluhluwewildreservaten in 1897 als de voorloper van het internationaal beroemde Kruger Nationaal Park in 1898. Het Krugerpark is ongeveer net zo groot als de helft van Nederland en wordt jaarlijks door meer dan 700.000 toeristen bezocht.
 
Momenteel bestaat er een netwerk van 17 nationale parken, en ca. 500 provinciale natuurreservaten en andere beschermde gebieden, die grotendeels voor het publiek toegankelijk zijn en een zeer belangrijke trekpleister voor binnen- en buitenlands toerisme vormen. Sommige reservaten hebben te kampen met meer bezoek dan verwerkt kan worden. Andere belangrijke beschermde gebieden zijn het Addo-Olifant, Bergzebra en Bontebok Nationaal Park, het Kalahari Gemsbok Nationaal Park en de Drakensbergreservaten in Natal.
 
Aan de kust worden de legplaatsen van zeeschildpadden beschermd (Noord-Zoeloeland), terwijl het Tsitsikamakust Nationaal Park een kuststrook in de oostelijke Kaapprovincie omvat.
 
Op het verlanglijstje van de meeste toeristen staat een ontmoeting met de "big five", olifant, zwarte neushoorn, luipaard, leeuw en buffel.
 
Geschiedenis

Oudste bewoners
Al meer dan twee miljoen jaar geleden leefden er mensen in Zuid Afrika. Het waren jagers uit het stenen tijdperk. Gevonden beenderen bij Taung in de Noordkaap en Sterkfontein bij Johannesburg zijn bewijzen daarvoor. Deze jagers trokken in de loop der tijden weer weg of stierven uit rond het jaar 200 kwamen er weer nieuwe groepen bij de oorspronkelijke bewoners van Zuid Afrika, de San (verzamelaars) of Bosjesmannen en Khoikhoi (herders) of Hottentotten, die afkomstig waren uit het grote-merengebied in Midden Afrika. Samen werden de beide volken de Khoisan genoemd en zij worden vaak beschouwd als de oudste bewoners van Zuid Afrika.
 
Eeuwen later zakten de Nguni naar Zuidelijk Afrika af. Zij waren de voorouders van zwarte volken als Xhosa's en Zoeloes, beiden Bantoevolken. Deze volken, voornamelijk veehouders en akkerbouwers, bleven veel langer op één plaats wonen en konden zich daardoor beter ontwikkelen en breidden hun woongebied al snel uit ten koste van de Khoisan.
 
Door de komst van de Europeanen in de 17e eeuw bleef er van de Khoisan niet veel meer over; o.a. door pokkenepidemieën. De Hottentotten leven voort in de stammen als de Nama en de Griekwa, terwijl de Bosjesmannen in Botswana en Namibië leven, in de buurt van de Kalahari-woestijn.
 
Portugezen en Hollanders
In 1488 voer de Portugees Bartholomeu Diaz als eerste Europeaan om het Kaapse Schiereiland en in 1498 volgde de beroemde Vasco da Gama. De Portugezen gebruikten de Kaap als een plaats waar ze vers water en voedsel konden inslaan. Eind 16e eeuw rondde de eerste Hollander de Kaap, Jan Huygen van Linschoten. Begin 17e eeuw volgden vele schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Ook zij gebruikten de Kaap als rustpunt op hun weg naar het oosten. De eerste permanente bewoners waren de opvarenden van het schip de "Haarlem", dat in 1648 schipbreuk leed in de Tafelbaai. Na een jaar keerden ze echter weer terug naar Holland.
 
De VOC besloot in 1651 dat er een vaste verversingspost aan de Kaap moest komen en stuurde de scheepsarts Jan van Riebeeck op pad. Deze stichtte op 6 april 1652 een ziekenboeg en een station aan Kaap de Goede Hoop waar proviand ingeslagen kon worden. Ook werd er graan, groente en fruit verbouwd en hield men wat vee. Na de periode Van Riebeeck werd het gebied bestuurd door een dertigtal commandeurs, gouverneurs en commissarissen, van wie de bekendste waren: Simon van der Stel (1679-1699) en W.A. van der Stel (1699-1707). Vanaf 1657 mochten ambtenaren maar ook boerengezinnen uit Holland zich als "vrijburgers" vestigen aan de Kaap. Vele Hollandse boerengezinnen maakten daar gebruik van en gestimuleerd door gunstige voorwaarden ontstond er een welvarende landbouwkolonie. Een kolonie in formele zin is Zuid Afrika echter nooit geweest. Als arbeidskrachten werden al in hetzelfde jaar slaven uit Oost Azië en West Afrika aangevoerd. Vanaf 1685 kwamen er ook Hugenoten naar de Kaap die met de Hollanders, de slaven en de Khoisan aanvankelijk vreedzaam naast elkaar leefden. Samen met de Hollanders, de Duitsers en de Fransen ontstond het "Afrikanervolk". Conflicten met de Khoisan door de uitbreidingsdrang van de Europeanen namen snel in aantal toe waardoor de Khoisan genoodzaakt waren zich terug te trekken in de lege gebieden van de Kaapkolonie. Door de gebiedsuitbreiding richting oosten kwamen de Europeanen voor het eerst in een bloedig conflict met het Bantoevolken als de Xhosa. In totaal zouden er negen van deze zogenaamde Kafferoorlogen gevoerd worden.
 
Binnen vijftig jaar na het ontstaan van de landbouwkolonie kwam het tot een serieuze botsing tussen gouverneur W.A. van der Stel en de Afrikaners, die slechts beperkt vertegenwoordigd waren in de centrale regeringslichamen en een aantal keren zelfbestuur eisten voor de kolonie aan de Kaap.
 
Zuid-Afrika onder Brits bestuur
Toen dit door de VOC, en in 1784 ook door de Staten-Generaal, geweigerd werd, schudden zij in februari 1795 in de districten Graaff-Reinet en Swellendam het gezag van de VOC af en plaatsten zich onder een "soort van onafhankelijke eigen Constitutie" direct onder het gezag van de Nederlandse Republiek. De bloeiperiode van de VOC was toen al voorbij en in 1791 had de VOC zich al terug getrokken uit Zuid-Afrika. Met de eerste bezetting van de Kaap door Groot-Brittannië in 1795 werd een eind gemaakt aan het bestaan van de "onafhankelijke" staten. In 1803 kwam de Kaap op grond van de Vrede van Amiens nog onder het gezag van de Bataafse Republiek, maar in 1806 veroverde Groot-Brittannië het gebied weer en kreeg het in 1814 blijvend in bezit.
 
Toen de Britten eind 18e eeuw arriveerden woonden er ca. 6000 Hollanders, 5600 Duitsers en 2400 Fransen in Zuid Afrika (tezamen Boeren of Afrikaners genoemd). Verder woonden er ongeveer 15.000 Khoisan en 25.000 slaven. Onder het Britse bestuur kreeg de economie flinke impulsen door de wijnbouw en de export van wol. Buiten Kaapstad verzetten de vrijgevochten Boeren zich hevig tegen de strakke regels die de Britten hen probeerden op te leggen. Ook de verstandhouding met het Bantoevolk liet te wensen over toen de kolonisten Bantoeland aangeboden kregen als landbouwgrond.
 
Aan het eind van de 18e eeuw ontstonden er spanningen tussen de verschillende bevolkingsgroepen door de groeiende bevolking en de daaropvolgende druk op de bestaansmiddelen. De Bantoevolken onderling vochten ook regelmatig met economische bronnen als inzet. De Zoeloes onder leiding van Shaka wisten hun gebied sterk uit te breiden en de andere Bantoevolken werden verdreven. Door deze oorlogen raakte het noorden en het noordoosten ontvolkt en trokken andere stammen (o.a. Sotho en Swazi) zich terug in de bergen en vormden daar verschillende koninkrijkjes. In 1828 werd Shaka vermoord door zijn broer Dingane.
 
Ook de Boeren hadden steeds meer behoefte aan een nieuw land en wilden onder de druk van de Britten uitkomen. De Boeren hadden ook grote bezwaren tegen de proclamatie van het Engels tot enige officiële taal en tot enige voertaal bij het onderwijs. Ook de afschaffing van de slavernij en de vestiging van 5000 Britse emigranten in de Kaapkolonie zette kwaad bloed.
 
Na de zesde Kafferoorlog met de Xhosa in 1834 trokken de Boeren, ook wel Voortrekkers genoemd, met ossenwagens (later het symbool van de onafhankelijkheidsstrijd) naar het noorden (Grote Trek). Conflicten met de Ndebele en de Zoeloes werden in het voordeel van de Boeren beslist en na de Slag bij de Bloedrivier met de Zoeloes werden gedeeltes van Natal in beslag genomen. Hier stichtten de Boeren de republiek Natalia die werd geregeerd door een gekozen Volksraad.
 
Sedert 1842 begon Groot Brittannië die republiek op te breken: in 1842 door de verovering van de streek ten oosten van de Drakensberge (Natal) en in 1846 door de annexatie van de streek ten zuiden van de Vaalrivier onder de naam "Orange River Sovereignity". In 1848 probeerden de Boeren zich vergeefs met geweld opnieuw in het gebied te vestigen.
 
Toch konden ze niet voorkomen dat de Boeren eigen republieken stichtten in Transvaal (1852) en Oranje Vrijstaat (1854). De onafhankelijkheid door Groot Brittannië werd gewaarborgd en erkend in twee traktaten, resp. de Conventie van Zandrivier en de Conventie van Bloemfontein. Groot Brittannië antwoordde hierop met het uitroepen van Natal als officiële kolonie in 1856. Groot Brittannië eerbiedigde de bepalingen van genoemde traktaten al snel niet meer, zoals blijkt uit de annexatie van Basoetoland (1868), van de Transvaalse en vooral Vrystaatse diamantvelden (1871) en uiteindelijk van de Zuid-Afrikaanse Republiek zelf (1877) na de ontdekking van de Lydenburgse goudvelden. De Boeren en de Britten vochten ook regelmatig conflicten uit met de Bantoevolken; de Boeren met de Sotho's en de Britten vochten een oorlog uit met de Zoeloes die in 1879 in het voordeel van de Britten beslecht werd tijdens de Slag bij Ulundi. In 1887 annexeerden de Britten Zoeloeland.
 
Boerenoorlogen
Tevens wilde men hierdoor de positie van de zwarte bevolking verbeteren. Daar kwamen de Boeren onder leiding van Paul Kruger in 1880 in opstand tegen en de eerste Boerenoorlog was een feit. In de Slag om Majuba Hill werden de Britten verslagen, kregen de Boeren in 1881 Transvaal terug en werd Paul Kruger president van een autonoom Transvaal. Ondertussen hadden de Duitsers zich gevestigd in Zuidwest Afrika (nu: Namibië) en waren de Britten bang dat die zouden gaan samenspannen met Transvaal.
 
Daartoe werd in 1885 het protectoraat Bechuanaland (nu: Botswana) uitgeroepen met Cecil Rhodes aan het hoofd. Samen met zijn British South African Company probeerde hij een Britse corridor van de Kaap tot Caïro in Egypte te realiseren. Daarvoor koloniseerde hij ook het gebied Rhodesië, het huidige Zimbabwe en Zambia. Om zijn idealen verder te verwezenlijken was het wel nodig dat Zuid Afrika centraal bestuurd zou worden en daar paste een autonoom Transvaal natuurlijk niet bij. Bovendien was in 1886 goud ontdekt in Witwatersrand en verschoof het economische zwaartepunt van de Kaap naar het noordelijker gelegen Johannesburg.
 
De Britten verloren hierdoor steeds meer gezag en Rhodes probeerde samen met landgenoot Jameson het Boerengezag in Transvaal omver te werpen. Deze zogenaamde Jameson's Raid in 1895 mislukte echter volkomen.
 
In 1899 verklaarden de Britten na een lange diplomatieke twist opnieuw de oorlog aan de Boeren (tweede Boerenoorlog). De Boeren verdedigden zich uit alle macht maar door voedselgebrek en uitblijvende hulp werd het Verdrag van Vereeniging gesloten en kwam Oranje Vrijstaat en Transvaal onder Brits gezag, maar hielden een grote mate van zelfbestuur.
 
Paul Kruger kon deze situatie niet aan, vertrok naar Nederland en werd opgevolgd door kolonel Jan Smuts. In 1910 verenigden Transvaal, Kaapkolonie, Oranje Vrijstaat en Natal zich in de Unie van Zuid-Afrika en Louis Botha werd de eerste premier. Om zowel de Boeren als de Britten tevreden te stellen werd besloten om het parlement in Kaapstad te vestigen, de regering in Pretoria en het hooggerechtshof in Bloemfontein. De unie bleef onderdeel van het Britse rijk, maar besliste zelf over binnenlandse aangelegenheden. De positie van de niet-blanken werd steeds slechter. Bantoegebieden als Transkei en Swaziland kregen een speciale status en Natal werd ingelijfd door Boeren. Eind 19e eeuw mochten niet-blanke bevolkingsgroepen zich niet overal zomaar vestigen. Protest hiertegen uitte zich onder andere in het geweldloze verzet van de Indiërs onder leiding van Mahatma Gandhi. De Afrikanen waren ontevreden over de verzoeningspolitiek van Botha en zijn Suid-Afrikaanse Party (SAP). Figuren als generaal Jan Hertzog waren ontevreden over de Britse dominantie in de economie en tegen diens streven naar gelijkwaardigheid tussen "die swart gevaar" en de blanke bevolking. De oprichter van het zwarte ANC (African National Congres) gooide nog eens olie op het vuur en Hertzog stichtte daarop de Nasionale Party, en afsplitsing van de SAP.
 
In de Eerste Wereldoorlog steunde Botha Groot Brittannië, wat weer anti-Britse gevoelens opriep. De republikeinse gedachte kwam weer naar voren: Zuid Afrika, los van Groot Brittannië, zou buiten Britse oorlogen kunnen blijven. Verder viel men het Duitse Zuidwest Afrika aan en nam het bestuur daar over. Dit leidde tot de "Rebellie", waaraan de generaals Beyers, De la Rey, De Wet en Kemp deelnamen. De opstand mislukte, maar versterkte de gelederen van de Nasionale Party.
 
Na de Eerste Wereldoorlog werd Zuidwest Afrika met toestemming van de Volkenbond (nu: Verenigde Naties) een mandaatgebied van de unie. Na de dood van Botha volgde Jan Smuts hem in 1919 op en weer drie jaar later werd Smuts opgevolgd door de nationalist Hertzog, onder wiens bewind het Afrikaanse officieel de tweede taal werd. Ook werd onder diens bewind de kiem voor de apartheid gelegd. Hij streefde naar meer onafhankelijkheid ten opzichte van Groot Brittannië en beperkte de vrijheden van de niet-blanke bevolking. Hij wist in 1926 op een Rijksconferentie te Londen de beroemde formule erdoor te drukken, dat binnen het Britse Rijk zowel Groot Brittannië als de Dominions autonome en gelijkwaardige gemeenschappen zouden zijn, vrijwillig geassocieerd onder de Kroon.
 
In de jaren dertig, toen ook Zuid-Afrika getroffen werd door de werelddepressie, fuseerde de Suid Afrikaanse Party van Smuts met de Nasionale Party van Hertzog en vormde de Verenigde Party. Enkele nationalistische hardliners scheidden zich meteen af en stichtten onder leiding van D.F. Malan de Gesuiwerde Nasionale Party, met als belangrijkste orgaan de Broederbond. Generaal Hertzog werd leider, generaal Smuts onderleider. Midden in deze ontwikkeling kwam de oorlogsverklaring van Groot-Brittannië aan Duitsland in het begin van september 1939. Een voorstel van generaal Hertzog om neutraal te blijven werd verworpen en een voorstel van generaal Smuts om oorlog te verklaren werd aangenomen. De gouverneur-generaal weigerde parlementsontbinding, Hertzog bedankte als premier en Smuts werd premier van een coalitiekabinet dat alle partijen omvatte, behalve de Nasionale Party van Malan, waar zich nu echter Hertzog (tijdelijk) en een groot aantal van zijn volgelingen bij aansloot, en die de naam Herenigde Nasionale Party kreeg. In de Tweede Wereldoorlog speelde Zuid Afrika militair een belangrijke rol zowel in Afrika (o.a. in Ethiopië) als in Europa (Italië).
 
Apartheid wordt regeringspolitiek
Na de oorlog vaardigde de Verenigde Party vaardigde enkele repressieve wetten uit die op veel steun van de blanke bevolking konden rekenen. De andere bevolkingsgroepen waren uiteraard minder te spreken hierover en het verzet hiertegen nam al snel grote vormen aan. Smuts verloor dan ook steeds meer aanzien door de toenemende krachtige positie van de niet-blanke bevolking. De blanken zagen hun bevoorrechte positie steeds meer in gedrang komen en trokken steeds meer naar Malan die in 1948 dan ook de verkiezingen won en kon starten met het verfoeilijke apartheidsbeleid.
 
Zijn idee was om de diverse bevolkingsgroepen in gescheiden woongebieden te laten leven waardoor ze hun eigen identiteit zou behouden. Het eerste verzet tegen deze plannen en de uitvoering ervan was ongestructureerd en marginaal. Pas in 1952 organiseerde het ANC een "Nationale Ongehoorzaamheidscampagne". In 1955 nam het Congress of the People, protestorganisaties van allerlei rassen en kleur, het Vrijheidsmanifest aan. Hierin werd verklaard dat Zuid Afrika van alle bevolkingsgroepen (ook blanken) was en dat de politieke macht ook verdeeld zou moeten worden over de bevolkingsgroepen. Dit vrijheidsmanifest zou voortaan als handvest voor het ANC gaan gelden. Toch was ook het ANC verdeeld. In 1959 werd het Pan Afrikanist Congress (PAC) opgericht door een groep ANC-ers die vonden dat er in het ANC geen plaats voor blanken kon zijn.
 
Onder de opvolgers van Malan (beperkt stemrecht voor kleurlingen), Johannes Strijdom in 1954 en Hendrik Verwoerd in 1958, werd zijn beleid om zwarten zelfstandige thuislanden toe te wijzen en geen vertegenwoordigers meer in de Zuid Afrikaanse regering te hebben voortgezet, en de positie van de blanken werd steeds sterker. In 1961 werd dan ook alleen de blanke bevolking geraadpleegd over de relatie met Groot Brittannië. Een grote meerderheid koos voor onafhankelijkheid en Zuid Afrika werd uitgeroepen tot republiek.
 
Het jaar 1961 was ook het jaar van "Sharpeville", waar bij een demonstratie van het PAC tegen de pasjeswetten 69 doden vielen.
 
De regering riep de noodtoestand uit, ANC en PAC werden verboden en de macht van leger en politie werden steeds groter. Zowel het PAC als het ANC zag zich genoodzaakt om ondergronds een militaire afdeling op te richten die zich met geweld verzette tegen het apartheidsbeleid. Belangrijke zwarte leiders als Nelson Mandela en Walter Sisulu werden echter in 1963 gevangengenomen en tot levenslang veroordeeld, waardoor de zwarte oppositie in de jaren zestig erg verzwakte. Premier Verwoerd werd in 1966 vermoord.
 
Zijn opvolger, J.B. Vorster, was als minister van Justitie verantwoordelijk geweest voor de wetgeving ter bestrijding van de oppositie tegen de apartheid en ging nu de door Verwoerd ontworpen thuislandenpolitiek, die territoriale segregatie vorm moest geven, uitvoeren. Begin jaren zeventig herstelde de zwarte oppositie zich weer door de oprichting van de Black Consciousness Movement van Steve Biko en een versterking van de zwarte vakbonden die vele stakingen organiseerden. In 1976 liep een demonstratie in Soweto tegen het verplichte gebruiken van het Afrikaans op de scholen uit op een bloedbad: meer dan 1000 doden.
 
Bij de begrafenis van Steve Biko kwam het weer tot ongeregeldheden. Biko overleed op 12 september 1977 aan verwondingen opgelopen in een politiecel.
 
De internationale gemeenschap vaardigde hierop een wapenboycot uit. In 1978 trad premier Vorster af en nam Pieter Willem Botha de leiding over van de regerende Nasionale Party. Hij voorzag al snel dat het blanke Zuid-Afrika geen lange toekomst meer beschoren zou zijn en gaf de Aziaten en de kleurlingen een eigen kamer in het parlement. Ook probeerde hij door de vorming van een zwarte middenklasse een dam op te werpen tegen het ANC, dat onder de zwarte bevolking steeds meer aanhang verwierf. Ook de regeringen van de zwarte thuislanden, onder meer die van Kwa Zulu (waar G. Buthelezi met zijn Inkatha-beweging lange tijd populariteit genoot), werden tot dat doel ingeschakeld.
 
Dit veranderde de slechte positie van deze groepen nauwelijks, om over het zwarte deel van de bevolking nog maar te zwijgen. Zij hadden alleen maar iets te zeggen in de door niemand officieel erkende thuislanden. Toch hadden deze voorzichtige hervormingen wel degelijk gevolgen. Zo splitsten de Conservatieve Party onder leiding van Andries Treurnicht zich af van de Nasionale Party. Bovendien verenigde zich meer dan 600 Zuid-Afrikaanse organisaties zich in het United Democratic Front (UDF) dat zich ging inzetten voor de strijd tegen het apartheidsregime.
 
Het buitenland begon zich te roeren
Top